Rivierenlandschap van de IJssel

Toen na de Saale-ijstijd de ijslob was afgesmolten, hernam de Rijn zijn loop naar het noorden, richting het huidige Zwolle. De rivier had afwisselend een snelstromend, vlechtend en een rustig, meanderend karakter, afhankelijk van het klimaat.

Het dal werd daardoor respectievelijk met zand en grind, dan wel met klei en slib opgevuld. Tijdens de Weichsel-ijstijd boog de Rijn bij het huidige Westervoort af naar het westen. De IJssel kwam toen los te liggen van de Rijn en werd gevoed door de Oude IJssel en de beken van de Achterhoek. Pas toen de Betuwe zover was opgeslibd dat de geul tussen Westervoort en Doesburg weer volliep, werd de IJssel weer een zijtak van de Rijn. Aan het eind van de Saale-ijstijd had de rivier veel zand- en grindbanken met tussenliggende stroomgeulen. Door verstuiving van de zandbanken ontstonden rivierduinen. In de Middeleeuwen werden hierop havezaten, steden en dorpen gebouwd, zoals Wie (Wijhe) en Holsto (Olst).

In de Romeinse tijd en vanaf 1000 n. Chr. verdwenen door ontginningen veel bossen in het bovenstroomse gebied van de Rijn. De IJssel kreeg veel meer water te verwerken en trad regelmatig buiten zijn oevers. In de loop der eeuwen ontstond aan beide zijden een lang lint van oeverwallen en op de komgronden erachter werd klei afgezet. Daardoor en door de aanleg van dijken kon niet meer rechtstreeks op de IJssel uitgewaterd worden. Vanaf de 13e eeuw werd een stelsel van evenwijdig aan de IJssel lopende weteringen gegraven, onder andere de Soestwetering en de Zandwetering. De afwatering van Salland vond voortaan plaats via de Zwolse stadsgracht en het Zwartewater naar de Zuiderzee. Desondanks stonden de komgronden nog regelmatig onder water, tot de grootschalige verbeteringswerken die daar in 1970 plaatsvonden.

Het beheer van de dijken werd vastgelegd in het Sallandse dijkrecht. Dit werd in 1308 afgekondigd door de bisschop van Utrecht. De belangrijkste regel hiervan was dat driemaal per jaar een dijkinspectie of schouw zou plaatsvinden. Het college van dijkgraven en heemraden, later dijkstoel genoemd, was hiervoor verantwoordelijk. Bij Den Nul staat nog één van de 19e eeuwse onderhoudsmagazijnen van de Dijkstoel van Salland, de voorloper van het huidige Waterschap Groot Salland, dat in 2008 700 jaar bestaat.

Tussen Deventer en Zwolle heeft de IJssel een tamelijk recht verloop, op een meander bij Fortmond na. Als in het midden van een slingerende rivier een zandbank ontstaat, vormen zich nevengeulen. De rivier vervolgt dan zijn weg via de hoofdgeul en de nevengeul slibt aan de bovenstroomse zijde dicht. De Lange Kolk bij Den Nul is een restant van een nevengeul, in dit gebied hank genaamd.

Na de bedijking sinds omstreeks 1200 is in de uiterwaarden veel klei afgezet. Vanaf de Middeleeuwen tot ver in de 20e eeuw is deze op veel plaatsen afgegraven voor baksteenfabricage. Bij Fortmond getuigen de restanten van de steenovens bij het pontje naar Veessen en op camping Het Haasje nog van deze activiteit. Natuurreservaat de Duursche Waarden van Staatsbosbeheer bestaat deels uit tichelgaten (kleiputten). De hier in 1989 in gang gezette natuurontwikkeling past in het huidige beleid aangaande het rivierenlandschap: meer ruimte voor de rivier én voor de natuur.